'Ik ben er een van een Siamese tweeling
En ik ben nu tweeentwintig jaren
ouder
Maar die andere kop is een kop van een meisje
En die kop rust
nog altijd op mijn schouder
En dat meisje is mijn vriend, meneer
Mijn allerbeste vriend
Daar heb ik mee gelachen
Daar heb ik mee
gegriend.'
'Een beetje raar verhaal.'
'Nee meneer,
dat is geen raar verhaal, meneer
Kijk niet zo verbolgen
Het is
alleen een raar verhaal, meneer
Omdat u het niet kunt volgen
Niemand kan het volgen, meneer
Vroeger niet
En nu niet en straks
niet
En nooit niet
Daar ben ik aan gewend, meneer
De
stad is een stad, een jungle vol stenen
En alle wanhoop marcheert door de
straat
Een glimlach is gauw in de regen verdwenen
Er is bijna
niemand die vraagt hoe het gaat
Je woont in een hok, enkel vier muren
Je bent anoniem, vier trappen hoog
Je zit daar alleen, je denkt zonder
buren
Maar opeens op een dag houdt de muur een betoog.'
'Ik
gok dat ze mooi is
Haar haar blond als hooi is
Ik gok dat ze zwart
is
Haar haar wild verward is.'
'U kent toch de
uitdrukking
De muren hebben oren
Maar bij mij had de muur ook nog
een mond
Die riep, dat ik mooi was en dat wilde ik horen
Dan was ik
weer zwart, dan rood, dan weer blond
Mijn schreeuwende minnaar. Ik moest
bij jou zijn
Dat was wat je riep, elke dag, ieder uur
Ik moest voor
jou de prachtigste vrouw zijn
Dat ben ik ook, maar niet zonder muur
Ik ben er een van een Siamese tweeling
En ik ben nu tweeentwintig
jaren ouder
Maar die andere kop is een kop van een meisje
En die
kop rust nog altijd op mijn schouder
En u, u vindt mij mooi, meneer
U kwam hier drie jaar geleden
En u heeft me drie ja